In mei 1998 maakte ik een rondreis door het zuidwesten van de Verenigde Staten. Op verschillende plaatsen waren nog zwart geblakerde vlaktes zichtbaar als gevolg van de bosbranden van de voorbije jaren. De laatste jaren gaat er geen zomer voorbij of dit gebied komt in het nieuws met grote bosbranden die soms weken kunnen aanhouden.
Tijdens spreekbeurten (over dit gebied) bij de maandelijkse bijeenkomsten van onze club, heeft de spreker het soms ook over deze bosbranden en het feit dat de cactussen die er groeien, dit wel overleven. Maar nooit wordt de vraag gesteld:”Waarom er de laatste jaren in dit gebied zoveel vuurhaarden zijn?”
Wel op deze vraag vond ik een antwoord in het artikel van Ewald Weber in het Duitse tijdschrift “Kakteen und andere Sukkulenten” van maart 2006, onder de titel “David tegen Goliath – Een kleine Europese grassoort maakt het de Saguaro en andere cactussen zeer moeilijk om te overleven.”
Hier volgt een korte samenvatting van dit artikel.
Een kleine uitheemse grassoort brengt ongelooflijke grote schade aan bij de cactussen in het zuidwesten van Noord-Amerika, meer bepaald bij de grootste cactussoort aller tijden – de Saguaro of Carnegiea gigantea. Hoe is dit mogelijk? Het volgende verhaal gaat over een “David tegen Goliath” strijd in het plantenrijk en heeft te maken met toename van verwilderde exotische gewassen. Ook in zuidwest Amerika woekeren talrijke exotische onkruiden, die de habitat fel veranderen en de inheemse soorten verdringen.
cactussen habitat
De woestijngebieden in het zuidwesten van de USA en in het aangrenzende Mexico kennen een zeer droog klimaat met onregelmatige en weinig neerslag. De vegetatie bestaat uit struiken en cactussen, en bij voldoende neerslag ontwaken de eenjarige kruidachtige soorten (in sommige jaren zo talrijk, dat men spreekt van een bloeiende woestijn). Maar meestal is de vegetatie zo dor en uitgedroogd dat grote delen van de bodem vegetatieloos zijn. Bij onweer kunnen soms blikseminslagen de verdroogde struiken in brand steken. Maar dit valt zelden voor en leiden meestal niet tot grote branden, omdat er niet voldoende brandbaar materiaal aanwezig is.
Cactussen hebben zich zeer goed aangepast aan deze droge omstandigheden. Door hun uitgebreid oppervlakkige wortelgestel kunnen ze snel het weinige vocht uit de bodem opnemen wanneer er soms eens een regenbui valt. Succulenten kunnen, op de één of andere manier, vocht opslaan voor een langere tijd. Dus cactussen(met hun oppervlakkig wortelgestel) hebben zich anders aangepast aan de droogte, dan bijvoorbeeld de diep wortelende struiken en bomen (Phreatophyten), die zo met hun wortels kunnen doordringen tot bij het diep liggende grondwater. Aan “vuur” hebben de cactussen zich echter niet aangepast. Een onderzoek in de Sonora-woestijn van Arizona, heeft aangetoond dat de moraliteit bij cactussen na een bosbrand zeer hoog is.
De laatste 200 jaar komen er als maar meer vreemde (uitheemse) planten voor in deze streken. Het zijn planten uit Europa en andere werelddelen, die door de mens werden ingevoerd, en die zich snel vermeerderd hebben (ook Neophyten genoemd). Momenteel zijn deze Neophyten een vast gegeven geworden binnen de flora van bepaalde gebieden. Sommige van deze planten breiden zich zo snel uit, dat ze de inheemse soorten verdringen, de biotoop blijvend veranderen en met de tijd leiden tot een soortarme vegetatie. Zulke “invasieve Neophyten” zijn ook uit Duitsland afkomstig. Een bekend voorbeeld is de Noord-Amerikaanse guldenroeden (Solidago canadensis Linné en S. gigantea Aiton). Wereldwijd kennen we ongeveer 800 verschillende plantensoorten, die bekend staan als “ invasief” (woekerend) en problematisch voor het natuurbehoud (Weber 2003). De planten zijn niet inheems in het gebied waar de problemen zich voordoen. Meestal gaat het om opzettelijk ingevoerde soorten, die snel verwilderen en het natuurlijke biotoop verstoren. Vele van deze planten werden oorspronkelijk als sierplanten ingevoerd. Niet tegenstaande de barre levensomstandigheden in de woestijn- en half woestijngebieden, hebben talrijke Neophyten zich hier toch kunnen ontwikkelen. In de Sonora-woestijn alleen al telt men ongeveer een 230 vreemde soorten, wat overeenkomt met ongeveer 12% van de plaatselijke flora (Tellman 1992). Onder de meest verspreide Neophyten bevinden zich twee Zuid-Europese: de gemene reigersbek (Erodium cicutarium Linné) en een grassoort Bromus rubens (Linné). Beide zijn kleine eenjarige kruiden, die in de woestijn toch gunstige groeiomstandigheden vinden om te overleven.
Het gras en de cactus
In eerste instantie is het dit gras, dat problemen geeft. Bromus rubens is in het Middellands Zeegebied een inheemse plant en werd rond 1950 geïmporteerd in Californië. Momenteel komt deze plant veel voor in de Sonora- en Mojave-woestijn, waar het in de jaren zeventig een dominerende rol zou gaan spelen. De laatste jaren breidde dit plantje zich enorm uit en heeft zich ondertussen verspreid tot in de Baja California en Texas. De zaden werden efficiënt verspreid door de dieren, die ze meenemen in hun vacht. Ook de mens zorgt ongewild voor de verspreiding, daar de zaden blijven kleven aan de kleding, de voertuigen en machines. Deze grassoort wordt hoogstens 25 cm groot en vormt typisch violette kleurige bloeistengels. Het is een winter-eenjarige, d.w.z. dat het zaad in de winter kiemt en dat de plant in de lente al opnieuw zaad vormt. Wanneer de temperatuur in het voorjaar stijgt, gaan de planten verdrogen. Hierin schuilt nu echter het gevaar voor deze grassoort. Namelijk, waar Bromus rubens veel voorkomt zal in de zomer een grote hoeveelheid licht ontvlambaar materiaal achterblijven, waardoor er hier ook veel meer bosbranden zijn dan in gebieden waar dit gras niet voorkomt. De verdroogde planten voeden het vuur zodanig dat de vuurhaard zich snel kan uitbreiden, bovendien wordt de intensiteit van het vuur versterkt door de grote hoeveelheid aan brandbaar materiaal. Bosbranden worden beschreven aan de hand van de volgende twee factoren: de frequentie (vuurinterval) en de intensiteit (meestal weergegeven aan de hand van de hoogte van de vlammen). De uitgebreide voorraad aan brandbaar materiaal kan leiden tot een grotere frequentie of een kleiner interval. In grote delen van de Mojave-woestijn waar Bromus voorkomt, ontwikkelen zich vuurhaarden om de 5-10 jaar.
Beiden kunnen voor cactussen fataal zijn, daar deze zich in de loop der tijd niet aangepast hebben aan het vuur. In het bijzonder kleine exemplaren worden door het vuur compleet verminkt. Dit geldt ook voor de Saguaro. Zaailingen en kleine plantjes van deze machtige cactus worden compleet overwoekert door dit Europese gras. Bovendien kiemen vele cactussen in de nabijheid van struiken die dienst doen als bescherming en waar er tengevolge van de schaduw meer vocht in de bodem zit. Het zijn juist ook deze struiken die gemakkelijk vuur vatten en zo de jonge cactusplantjes vernietigen.
Dit voorbeeld toont ons wat er kan gebeuren wanneer een verkeerde plant op de verkeerde plaats uitgeplant wordt. Een fenomeen dat grote zorgen wekt bij de internationale vereniging voor het behoud van de biodiversiteit.
De ontwikkeling van een ogenschijnlijk klein plantje, zoals de Bromus rubens, kan grote gevolgen hebben voor het ecologisch evenwicht van een biotoop. In dit geval verhoogd de frequentie van de vuurhaarden. Naast deze Bromus-soort zijn er nog andere grassoorten die dezelfde problemen geven in het zuidwesten van Noord-Amerika en het aangrenzende Mexico, namelijk: het buffelgras (Cenchrus ciliaris Linné) en Schismus arabicus Nees. Beide soorten stammen eveneens uit “de Oude Tijd” en zijn momenteel zover verspreid dat een controle onmogelijk blijkt.
Uit deze laatste zin kan men besluiten dat de frequentie van de bosbranden in het zuidwesten van de Verenigde Staten in de nabije toekomst niet onmiddellijk zal dalen. Hierdoor zullen er alsmaar meer jonge plantjes vernietigd worden waardoor de inheemse planten geleidelijk aan zullen verdwijnen, waaronder natuurlijk ook sommige van onze cactussen zoals de Carnegiea gigantea.
Hoe een klein grasplantje (David) de grote Carnegiea gigantea (Goliath) kan overwinnen.
Dus, laat ons hopen dat het ecologische evenwicht van deze biotoop zich snel zal herstellen, zodanig dat de inheemse planten niet verdwijnen.
Een artikel van Dr. Ewald Weber gepubliceerd in KuaS 57(3)2006 en gebaseerd op de volgende literatuur:
TELLMAN B (1992): Invasive exotic species in the Sonoran region. – University of Arizona Press, Tucson.
WEBER E (2003): Invasive plant species of the world: a reference guide to environmental weeds. – CABI Publishing, Wallingford.


Nieuwe reactie inzenden