Het pétanque bedient zich van een eigen woordenschat die wij voor u in het Vlaams vertaalden. Zo ziet u hiernaast de boule-europe-assistance-pétanque ofwel de " bijstandsbal " of " malheurbal ". Hieronder de 20 meest voorkomende pétanquetermen.
Als u het hiernavermelde pétanquejargon onder de knie hebt bent u al aardig wegwijs in het spel. 1.- ^Bâtard : BASTAARD : een worp( en gemaakt punt ) die niet goed maar ook niet slecht is, de tegenstander twijfelt tussen zetten of schieten. 2.- Biberon : TSJOEZER : een goed gezette bal rolt tegen het stopsel. Voor de startende speler een goede bal maar voor degene die na hem komt een zwaard van Damocles : immers de bal moet meestal weggeschoten worden en het stopsel wordt dan altijd verplaatst, hetgeen voordelig maar ook nadelig kan uitdraaien. 3.- Boule : BAL of BOL : een holle metalen bal, voor wedstrijden : van Obut en voorzien van een serienummer. 4.- But of Cochonette of Bouchon : STOPSEL : het kleine houten balletje waarmee gestart wordt. 5.- Boulodrôme : BALLENBAAN : een terrein dat ingericht is om te pétanquen. De ballenbaan kan overdekt zijn of niet. Soms spreekt men van winterballen en zomerballen. 6.- Carreau : KAROO : een bal wegschieten zodanig dat de eigen bal op die plaats blijft liggen. Wanneer de eigen bal geen millimeter van plaats verschilt met de weggeschoten bal spreekt men van een " carreau sur place " of een KAROO SURPLAS. 7.- Casquette : KLAKSKE : de geworpen bal beland bovenop de weg te schieten bal, deze is dus wel geraakt maar blijft gewoon liggen. Het schot is eigenlijk iets te lang. 8.- Cercle : RONDE : plaats van waaruit men werpt, met een doorsnede van min 35 en max 50 cm. 9.- Demi Portée : HALF GEZET : een halfhoge zetbal. De bal wordt halfwege de ronde en het stopsel geplaatst en heeft meer vaart dan een gezette. 10.- Donnée : KADOO : de plaats die men uitzoekt om de bal te laten neerkomen. Het is een kwestie van techniek, inzicht en koelbloedigheid om steeds weer de juiste kadoo plaats te zoeken en de bal daar dan ook te zetten. Een goede zetter is een plaag voor iedere schieter. 11.- Doublette : MEETWIEJE : team bestaande uit twee spelers ( men speelt met 3 ballen per persoon ). 12.- Fanny : GOE OP EU DUUZE : verliezen met 13-0. 13.- Mêlée : BUZZE : wedstrijd waarbij de partner(s) door loting word(t)en bepaald. 14.- Mène : MATCH : werpronde , begint met het uitwerpen van het stopsel en eindigt als alle ballen gespeeld zijn. 15.- Milieu : TALVESTEN : de middelste speler in een triootje. Iemand die zowel kan zetten als kan schieten. 16.- Pointeur : ZETTER : speler met als specialiteit , een bal op een bepaalde plaats werpen. 17.- Raclette-Rafle-Raspaille : SLEPER : de bal wordt rollend over de grond geschoten. 18.- Tête à tête : SOLOSLIM : team bestaande uit één speler ( men speelt met 3 ballen per persoon ). 19.- Tireur : SCHIETER : speler met als specialiteit , ballen wegschieten. 20.- Triplette : TRIOOTJE : team bestaande uit drie spelers, men speelt met 2 ballen per persoon.


Nieuwe reactie inzenden